De nieuwe Uitvoeringswet kent een aantal wijzigingen. Hier treft u een nader toelichting aan van de vier wijzigingen aan en het overgangsrecht.
1. Beperking van het cassatieberoep
Het belang van het beperken van het cassatieberoep is het bespoedigen van de teruggeleidingsprocedure, en – in meer algemene zin – het zo snel mogelijk verschaffen van duidelijkheid over de gewone verblijfplaats van het kind voor het kind en zijn ouders. De Hoge Raad kan de geschilpunten maar heel beperkt toetsen. Cassatie in het belang der wet wordt ingesteld als sprake is van nog niet eerder beantwoorde rechtsvragen over de uitleg van essentiële bepalingen uit het Haags verdrag of de Verordening Brussel II-bis.
2. Concentratie van rechtspraak in teruggeleidingszaken
Het eerste lid van het gewijzigde artikel 11 van de Uitvoeringswet ziet op de concentratie van rechtspraak in eerste aanleg en hoger beroep in teruggeleidingszaken. De kinderrechter van de Rechtbank ’s-Gravenhage en het Gerechtshof ’s-Gravenhage zijn uitsluitend bevoegd om kennis te nemen van teruggeleidingsverzoeken. In zaken die zien op de tenuitvoerlegging en het regelen van internationale omgang en beslissingen zoals die in artikel 14 van de Uitvoeringswet aan de orde komen, blijft de kinderrechter van de rechtbank bevoegd in het rechtsgebied het kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft.
3. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing in eerste aanleg
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. Het is belangrijk te realiseren dat een verzoek hiertoe actief gedaan moet worden tijdens een procedure.
4. Afschaffing van de procesvertegenwoordigende bevoegdheid van de Centrale autoriteit
Met de invoering van de nieuwe Uitvoeringswet wordt de bevoegdheid van procesvertegenwoordiging van de Centrale autoriteit in internationale kinderontvoeringszaken afgeschaft.
De Centrale autoriteit blijft de ouders en betrokken organisaties faciliteren en informeren. Tevens blijft de Centrale autoriteit gehouden tot samenwerking met buitenlandse Centrale autoriteiten in zaken van internationale kinderontvoering als bedoeld in artikel 7 van het Haags verdrag. Ook blijft de Centrale autoriteit de eerste intake doen in geval van internationale kinderontvoeringszaken. Bij deze intake wordt gekeken of aan de formele vereisten van het Haags verdrag wordt voldaan. Indien nodig wordt de buitenlandse Centrale autoriteit om aanvullende stukken verzocht. Wanneer uit de intake blijkt dat sprake is van kinderontvoering als bedoeld in het verdrag, dan worden de stappen genomen die nodig zijn voor de mogelijke terugkeer van het kind.
De bevoegdheid van de Centrale autoriteit om kinderbeschermende maatregelen te treffen wordt eveneens afgeschaft.
Overgangsrecht
Het overgangsrecht bepaalt dat wanneer een teruggeleidingsprocedure aanhangig is bij de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad, de Centrale autoriteit bevoegd is om haar procesvertegenwoordiging voort te zetten. Deze bevoegdheid geldt echter alleen voor de betreffende instantie. Wanneer een van voornoemde instanties een eindbeschikking heeft gegeven, eindigt de procesbevoegdheid. Hiermee wordt enerzijds voorkomen dat de, als onwenselijk ervaren, positie van de Centrale autoriteit geruime tijd na de inwerkingtreding van deze wet kan voortduren. Anderzijds wordt de verzoekende ouder niet genoodzaakt om tijdens een lopende procedure bij de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad alsnog een advocaat in te schakelen.