Talen

  • Nederlands
  • English
  • Français
  • Español

Weigeringsgronden

Artikel 12

In artikel 12 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag staat dat het kind binnen één jaar na de meename teruggestuurd dient te worden naar het land van herkomst. Is de termijn van één jaar voorbij dan dient het kind nog steeds terug te keren. Dit tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Bij worteling in de nieuwe omgeving gaat het om de relaties die het kind heeft opgebouwd, bijvoorbeeld vriendjes op school, in de buurt of op de sportvereniging.

De rechter is pas op z'n vroegst na één jaar verplicht om te beoordelen of het kind is geworteld in zijn nieuwe omgeving en of het niet meer in het belang van het kind is om teruggestuurd te worden.

Artikel 13

Alle weigeringsgronden genoemd in artikel 13 spelen zowel een rol bij de situatie van het verzoek tot terugkeer binnen één jaar na meename als bij een verzoek tot terugkeer na één jaar. De bewijslast rust op de ouder die zich op de weigeringsgrond beroept. In artikel 13 staan drie gronden om de terugkeer te weigeren:

Bij de eerste weigeringsgrond dient aangetoond te worden dat de andere ouder het gezag niet daadwerkelijk uitoefende of dat de andere ouder toestemming had verleend voor de meename. Uit de jurisprudentie blijkt dat het daadwerkelijk gezag niet snel is verbroken. Voor de toestemming moet voldoende bewijs zijn geleverd. Toestemming voor familiebezoek/vakantie impliceert niet dat het kind voor langere tijd in Nederland mag blijven. De bewijslast ligt duidelijk bij de persoon die de teruggeleiding van het kind wil voorkomen.

Bij de tweede weigeringsgrond wordt gekeken naar de omstandigheden in een specifiek geval. Deze weigeringsgrond wordt restrictief toegepast, het risico wordt niet zonder meer aangenomen. Ongunstigere leefomstandigheden dan in Nederland, zoals bijvoorbeeld het politiek klimaat, het ontbreken van een goede gezondheidszorg en de slechte economische situatie, zijn op zich onvoldoende om van een ernstig risico voor lichamelijk of geestelijk gevaar of van een ondraaglijke toestand te spreken. Het gevaar dient zwaarwegend, concreet en actueel voor het specifieke kind te zijn. Een voorbeeld van een ontoelaatbare situatie is, als een kind in Nederland onder toezicht gesteld zou worden. De bewijslast rust op de ouder die een beroep doet op deze weigeringsgrond.

Bij de derde weigeringsgrond moet het gaan om ernstige bezwaren van het kind tegen de situatie bij terugkeer in het land waar het vandaan kwam. Het mag niet gaan om de voorkeur van het kind om in het ene of in het andere land te blijven.

Het kind kan gehoord worden door de rechter zodat hij zijn mening kan geven

Er wordt geen minimumleeftijd aangegeven voor het horen van het kind. De autoriteiten bepalen zelf of zij vinden dat het kind gehoord moet worden. De meningen over de leeftijd lopen erg uiteen. Volgens de jurisprudentie ligt de grens tussen de acht en twaalf jaar. Als het kind 12 jaar is, is de rechter verplicht het kind te horen. Soms is de druk van de omstandigheden te belastend om het kind te horen of wordt het als een te zware belasting voor het kind beschouwd. Het is uiteindelijk de beoordeling van de omstandigheden van het geval die de doorslag zal geven.

Artikel 20

De terugkeer van het kind kan geweigerd worden wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte staat, die betrekking hebben op de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet zou zijn toegestaan. Niet voldoende is dat de terugkeer in strijd is met deze beginselen, de terugkeer van het kind moet echt verboden zijn. Deze weigeringsgrond is nog nooit met succes ingeroepen.

 +31 (0)88 - 800 90 00
 info@kinderontvoering.org
Meer informatie